te sien ohne eam ee, rears net

ar repen

_ ALBUM DER NATUUR.

Dur

hk es Rd

ALBUM DER NATUUR.

TER VERSPREIDING VAN NATUURKENNIS

ONDER BESCHAAFDE LEZERS

VAN ALLERLEI STAND.

1854.

TE HAARLEM, A. 0. KRUSEMAN. 1854.

ne Ky,

4

INHOUD.

Waterdroppels, schetsen naar het leven, door P. HARTING...

De planten van Pompeji, medegedeeld door D. LUBACH...........e ren 7

Weêrglazen, door W. M. LOGEMAN,........ eenen eneen een nen enen se Over de baan, die de aarde rondom de zon beschrijft, door A. T. RrirsmaA.. Het zwavelmeer bij Tivoli in Campanie. ...........--s.vesrnen ennen Talrijkheid der Walrussen, door Co. M.... ... s.serserrn eener eenen Arabische plantennamen in het Nederlandsch overgebleven, door v. H... …. De wet der stormen, door F. W. C. KRECKE...........en neee De Mieren in Zuid-Amerika, door Dr. v. H........ ....enen eneen Bloemen onder de sneeuw, door v. H................on enen eeens

De regenachtigste plek der aarde, door He.............-- rennen een De uitbarsting van den Mauna Loa in 1852, door He... Het betooverend vermogen der Ratelslang, door D. L...........-.--.-en De Anthropomorphen, door W. VROLIK........... neee ennen

Het sluimerende leven, door P. HARTING...........s-.e onee eneen

Nog iets over de Mieren van Zuid-Amerika, door Q. M. R. Ver Huerr... »

Het gewigt van den aardbol, door D. GROTHE... ennen eneen Iets over het aankweeken van Orchideën, door Devreese De zakkijkers van Molteni te Parijs, door F. KAISER.............serr nne

Groote uitwerkselen van zeer kleine bewegingen, door P. vaN DER Burma...

Vr ES

De walvischvangst in de baai van Allerheiligen op de kust van Brazilië, door

OSM RNN ED erdee Jel teke ne mie nnee elen ee RE Blz. De Baumannsgrot en de Bielsgrot in het Harzgebergte, door C. BRAMA... » Zonderlinge groeiplaatsen van planten. door H. C. vAN HALL ..........…. De Leeuwen in Noord-Afrika, door DE JONG vAN RODENBURGH..,.......

_ De lucht een hoofdvoedsel voor den mensch, door E. H. von BAUMHAUER. # De Woekerplanten, door F. W. vaN BEDEN........,.anvenseernveennen DErEanmergiers VAREN GEDE EN ear bai elslana ate stetereiele vee iele elehe ae Over de Struisachtige vogels (Struthiones), door H. SCHLEGEL............ Ratten krudseters’, doof > ereerelarade oslerefninte leven sie tenere Me de

Over het begrip van dierlijke volkomenheid en de onderscheidene trappen

daarvanse doors DEB AGH, Mitter aleer ciefn wrat tere leken lette AETR Bezwaren bij geologische nasporingen in de heete gewesten, door Dr. v. H. » Benne O0 Aaa Redi AE Ae ruled We EE Verhuizing van :Waterjufters „doors Has.r, Jerttdentfs senda er tte AN

Ropssvansderichosdoor vs Her tenen reet te ve ln eener 7

249. 254. 258. 259. 274. 291. 313. 323. 952.

355.

382.

383. 384. 385.

LIJST DER

Steendrukplaat.

Waterdroppels met infusie-diertjes.

Houtsneden.

Ringen ter aantooning van de lucht-

Ohne a Rr EE Blz. Barometer st WAnt des ele Barometer met schaal enz........ Deksel voor het onderste der buizen. # Wijzer-barometer.............. DIETER SAE lE Parallelogram der krachten... 7 Toepassing op de beweging der

aarde om de zon............. " Elliptische kegelsnede... Parabolische kegelsnede... Hyperbolische kegelsnede... u

Schuine stand van den as der aarde op de ecliptica. .............. As der aarde regt op de ecliptica

As der aarde zamenvallende met de ecliptica. stee einser Figuur ter opheldering van de ver- plaatsing van de as der aarde... » Baan der aarde in de ruimte... " Acht kaartjes van gedeelten der Indische zee bij den storm van 7 April 1848... snee Verzamelingskaart.............« Volwassen Gorilla, naar Is. GEOF- FROY ST. HILAIRE............ / Jonge Gorilla, naar denzelfden... # Jonge Chimpansé, naar W.VROLIK. «

AFBEELDINGEN.

Jonge Orang-Oetan, naar denz.…. . Blz.

Siamang, naar F. CUVIER......…

Geraamte van den Siamang, naar WS VROEIE LS nt inteleler vetes

Formiga de Manioe.........-. "

Ophelderingen voor de bepaling van

het gewigt der aarde. Blz. 189, 190,

Zakkijkers van MOLTENI... Blz. Blinding voor dien kijker... " Oogbuizen daarvoor... .......» Münchener oogbuis... Houten voet voor den kijker...

Houten voet met schroefbeweging. # Leeuwenjagt in Noord-Afrika... Ophelderingen voor de ventilatie. 7

Blz. 286, 287, 288,

Orobanche major... Blz. Lathraeasquamaria........… 7 Monotropa hypophegea...….... Cuscuta Europaea... À Viscum album... nen vene " Rafflesia Arnoldi... Afrik. Struis (Struthio camelus).. » Petise (Rhea Darwinii)..

Kasuaris van Australie (Casuarius Nove Hollandie).........- Eigenlijke Kasuaris (C. galeatus).…

Gewone Dodo (Didus ineptus)..…

Dodo van Bourbon (D. apterornis). » Dodo van Rodriguez(D. soZitarius).

Kleine Dodo van van den Broucke

(D. Brouckei).......-ennn Kleine Dodo van Herbert (D. Her- BEF DENNS seen ANANERKENE eflen

Kiwi (Apterya) eeen

128. 133.

136. 180.

191. 204. 206. 209. 213. 218. 220. 259. 283, 289. 297. 299. 299. 300. 301. 306. 326. 331.

332. 834. 338. 348. 344.

345.

346. 349.

ERRATA.

Blz. 16 regel 3 v. o. staat: “de stad des doods;” lees: ““de stad der dooden.” In de figuur op blz. 26 moet de letter Z in plaats van £, en L in de plaats van # staan. Blz. 124 regel 11 en 12 v. b, sfaat: dat op den bovenarm van beneden naar boven; lees: dat op den bovenarm van boven naar beneden, op den voorarm van beneden naar boven gerigt is. Blz. 142 regel 1 v. b. staat: keelholte; Zees: okselholte.

Berigt voor den Binder.

Den Binder wordt berigt dat de opeenvolging der signaturen de volgende is:

12005 A5 66E venz. 514 15, nhar renz:

WATERDROPPELS,

SCHETSEN NAAR HET LEVEN, DOOR

PEAR TING:

E; is welligt niets dat den opmerkzamen beschouwer der natuur meer treft, dan de rijkdom van leven dien zij ten toon spreidt. Waarheen wij den. blik wenden, hetzij naar de aarde met de haar bedekkende tallooze planten, naar de menigte van dieren, welke zich daarmede voeden of de prooi worden van andere dieren, of naar de lucht, waar zwermen van vogels en van nog talrijker insekten op vlugge wieken rond zweven, of naar den oceaan, die beide, aarde en lucht, in veelheid en verscheidenheid van schep- selen nog verre overtreft, overal ontmoet ons oog leven en bewe- ging. En al is dat leven slechts tijdelijk, al maakt het telkens wederom plaats voor den dood, dien eindpaal voor het bestaan van iederen stoffe- lijken vorm, het getal van levende wezens blijft daarom toch steeds even oneindig groot, want de dood heeft slechts eene gedaante- verwisseling ten gevolge. De organische stof, die heden gedaante- en bewegingloos daarneder ligt, zal misschien morgen reeds weder eenen organischen vorm hebben aangenomen, eenen vorm, welligt geheel verschillend van den vroegeren, maar even als deze de zit- plaats van dat raadselachtig beginsel, hetwelk de grootste wijsgee- ren tot hiertoe vergeefs getracht hebben geheel te ontcijferen, en dat men “leven” heet.

Die gestadige gedaanteverwisseling der stof, en tevens die ver- bazende rijkdom van levende wezens valt echter eerst dan regt in

het oog, wanneer men dat oog wapent met het vergrootglas, en zoo - 1

EEE

den blik in staat stelt door te dringen tot die wereld van planten en dieren, welke voor het bloote oog geheel onzigtbaar zijn, wier aanzijn en gewemel zelfs niet vermoed zouden worden, indien het mikroskoop nimmer ware uitgevonden, maar die, wat zij in lig- chaamsgrootte te kort komen, vergoeden door eene talrijkheid, zoo verbazend groot, dat zij in dit opzigt niet alleen alle grootere aardbewoners verre overtreffen, maar er zelfs eene levendige verbeel- ding toe vereischt wordt om zich die talrijkheid eenigermate juist voor te stellen.

Terwijl ik dit schrijf, staat voor mij een bord met water, waarin reeds sedert eenige dagen een doode kikvorsch ligt. Aan de oppervlakte van dit water heeft zich, naar het schijnt, een dun vliesje gevormd, doch indien een droppel van het vocht, tevens met eene kleine hoeveelheid van dit vliesje, onder het mikroskoop wordt gebragt, dan blijkt, dat dit geheele vliesje enkel en alleen bestaat uit digt op een gedrongen diertjes, waarvan de afbeel- ding in Fig. 1 eene voorstelling geeft. Zij zijn langwerpig rond, eenigzins plat, aan het eene uiteinde spits en daar uitloopende in eenen uiterst fijnen draad, die slechts met veel moeite duidelijk zigtbaar gemaakt kan worden, al valt hij in de afbeelding ook dadelijk in het oog, omdat de kunst de natuur nimmer in fijnheid kan evennaren. Dien draad bewegen zij als ware hij een snuit, in al- lerlei bogten, terwijl zij zelve dan eens in deze dan eens in gene rigting zwemmen, grootere ligchaampjes in het vocht ontwijkende, kleinere op zijde duwende, en aldus op hunne wijze het leven ge- nietende. De grootste dezer diertjes hebben echter slechts eene lengte van fig van een Ned. streep, maar hun getal bedraagt, naar eene matige berekening, in elken droppel van de oppervlakte van het water genomen, niet minder dan 1,125,000, zoodat derhalve, indien wij aannemen, dat er slechts 500 dergelijke droppels voorhanden zijn, er in het water van het genoemde bord meer levende wezens wonen, dan menschen in het grootste der werelddeelen.

En toch behooren deze diertjes nog geenszins tot de allerklein- sten; er zijn er waarvan minstens een honderdtal zoude gevorderd worden, om in grootte een der eerstgenoemden te evenaren. Wan-

Je

Lesl

neer een eiwithoudend vocht aan de lucht staat, b. v. bloedwei, melk, enz., dan ontstaan daarin binnen weinige dagen millioenen van dier- tjes (zie Fig. 2), die slechts door een goed mikroskoop bij sterke ver- grooting even herkenbaar zijn, want velen zijn ter naauwernood 1/00 streep lang, terwijl andere die iets langer zijn, uit twee, drie of meer afzonderlijke geledingen bestaan, welke, gelijk uit de vergelijking met andere grootere soorten blijkt, door verdeeling of afsnoering ontstaan zijn, zoodat deze reeksen van geledingen waarschijnlijk uit verschillende nog tijdelijk zamenhangende indivi- du’s zijn zamengesteld. Meer echter dan deze afbeelding ver- toont laat zich daaraan zelfs bij de sterkste vergrooting niet waarne- men; doch, wat geene af beelding terug geven kan, is het woelige gewe- mel van deze kleine wezentjes in den droppel, die voor hen een oceaan is, en van hunne eigenaardige beweging, welke hen tot dieren stempelt, omdat zich bij de aanschouwing de overtuiging aan ons opdringt, dat die beweging de uiting is van willekeur en van zelfbewustzijn, zij het dan ook op den laagst denkbaren trap.

De reeds genoemde diertjes vormden zich in waterige vochten, waarin tevens zelfstandigheden van bewerktuigden oorsprong voor- handen waren. Inderdaad is het laatste daartoe een volstrekt ver- eischte, en ik haast mij diegenen mijner lezers en vooral mijner lezeressen, die welligt aanvingen het afgrijsselijk wermoeden te koesteren, als of zij met elken waterdroppel millioenen levende die- ren inzwelgen, hieromtrent gerust te stellen. Zij mogen het welwa- ter zonder de minste gewetensknagingen drinken, en vrijelijk alle vrees verbannen voor het begaan van eenen onwillekeurigen moord, want daarin kan zelfs het beste mikroskoop geene levende wezens ontdekken. Ook het regenwater is er doorgaans vrij van, mits het opgevangen is in goten en vergaarbakken, waarin zich geene afge- vallen bladeren en andere stoffen van bewerktuigden oorsprong be- vinden, en het bovendien opgezameld worde in bakken, waartoe de lucht geenen toegang heeft. Anders is het met het rivier- en vooral met het slootwater gelegen; dit is altijd rijk bevolkt, gelijk zoo aanstonds blijken zal, en het is alleen door goed ingerigte filtreer- werktuigen, dat dergelijk water van deze en andere niet alleen wal-

Etat

gelijke maar zelfs geenszins onschadelijke inmengselen kan bevrijd worden.

Goed zuiver water bevat derhalve geen spoor van daarin levende dieren, maar het verschaft de gelegenheid tot overvloedige vorming daarvan, zoodra daarin tevens organische stoffen voorhanden zijn. Laat men aftreksels of afgietsels van zeer verschillende plantendee- len, van bloemen, van stengels, van bladeren enz. eenige dagen aan de lucht staan, dan zullen zich daarin weldra diertjes vertoo- nen, ja het water, waarin een bloemruiker lang genoeg vertoefd heeft, wordt eindelijk eene zee vol leven en beweging. Ook is het geenszins een vereischte, dat daartoe versche plantendeelen gebe- zigd worden, want in de aftreksels van gedroogde, b. v. in die van hooi, van peper enz. ontstaan eveneens diertjes, terwijl het uit de boven aangevoerde voorbeelden blijkt, dat water, waarin zich dierlijke stoffen bevinden, al mede voor hunne ontwikkeling gun- stig is. Aan dit ontstaan in waterige aftreksels of afgietsels is de naam ontleend van a/gietseldiertjes of infusiediertjes, waarmede in het algemeen de. verschillende kleine dierlijke wezens bestempeld worden, die zich daarin ontwikkelen. Echter heeft men deze naam ook ruimer toegepast en er mede een groot aantal kleine dieren onder begrepen, die ook in de vrije natuur voorkomen, inzonder- heid in de slooten en andere zwak stroomende wateren, waar zij zich vooral ophouden tusschen de aan de oppervlakte drijvende waterplanten, en wel inzonderheid tusschen die vezelachtige groene draden, waaraan men den onwelluidenden naam van “flab” of wel den nog verachtelijkeren van “slootvuil” geeft, doch waarin het mi- kroskoop vaak de sierlijkste vormen erkent, even zoovele goed ge- kenmerkte soorten van planten uitmakende, welke onder den al- gemeenen naam van zoetwaterwieren of algen bekend zijn. Bij eene latere gelegenheid hopen wij den lezer in nadere kennis te bren- gen met dat verachte slootvuil, en hij zal het ons toestemmen , dat daarin de voortreffelijkheid van het geschapene niet minder door- blinkt dan in de prachtige wouden der keerkringsgewesten.

Niet altijd echter zoeken deze diertjes juist hun verblijf tusschen de aan de oppervlakte des waters drijvende planten. Er zijn er

En Le

ook, die zich in groote scholen verzamelen op plaatsen, waar zulke planten niet worden aangetroffen. Hiertoe behooren onder anderen de in fig. 3 afgebeelde diertjes, wier ligchaam eigenlijk groen gekleurd is, en waardoor de wateroppervlakte zich dan ook als met een groen vlies bedekt vertoont, dat zich soms over eene aanzienlijke uitgestrektheid uitbreidt. Bovendien neemt men aan deze diertjes nog een rond vlekje of stipje nabij hun vooreinde waar, dat in de afbeelding eene donkere tint, maar in werkelijkheid eene roode kleur heeft. Sommigen hebben in dit roode vlekje, dat ook bij eenige andere soorten voorkomt, een oog willen zien. Hoe gewaagd deze gissing ook schijnen moge aan hen, die bij het woord “oog” alleen denken aan de oogen van menschen en grootere dieren, zoo was zij toch niet zoo geheel zonder eenigen grond, want inderdaad blijkt het, dat, naarmate men in de reeks der dieren afdaalt, de werktuigen al eenvoudiger en eenvoudiger worden, zoodat er dan ook dieren in de afdeeling der wormen gevonden worden met oogen, waarvan de verrigting als gezigtswerktuigen niet kan betwijfeld worden, omdat men daarin ook het noodwendigste bestanddeel, na- melijk eene kristallens ontdekt heeft, doch die overigens eene niet geheel te miskennen overeenkomst met de zoogenaamde oogvlekken van sommige infusiedieren vertoonen, waarin men bovendien ver- moeden mogt, dat werkelijk eene kristallens bevat is, die alleen uit hoofde der verbazende kleinheid dezer oogjes, ook bij de sterkste vergrooting voor ons onzigtbaar blijft. Doch ofschoon ik mij ver- pligt rekende dit aan te voeren, ten einde EHRENBERG, den man aan wien wij zoovele heerlijke ontdekkingen in deze wereld van het kleine verschuldigd zijn, en die het eerst de meening, dat de genoemde vlekjes oogen zouden zijn, geuit heeft, vrij te waren voor de verdenking als of daarvoor geen de minste grond bestond, zoo moet ik er echter bijvoegen dat die meening thans door weinigen meer wordt aangekleefd. Eene dergelijke roode kleurstof toch is bij lagere dieren en ook planten geenszins zeldzaam. Sommige dier kleine mikroskopische wezens, welke op eenen zekeren leeftijd groen gekleurd zijn, hebben eene roode kleur op eenen anderen, zoodat zij dan de wateroppervlakte rood kleuren even als anders groen;

Ed eee

de roode kleur maakt dikwijls later plaats voor eene groene, met overlating van een klein rood gekleurd gedeelte, en, wat nog ster- ker spreekt, zelfs de kiemcellen van sommige zoetwater-algen, aan welker plantaardige natuur niet getwijfeld kan worden, al bezit- ten zij ook eene hoogst opmerkelijke beweging, die hen ligtelijk met infusiediertjes kan doen verwarren, hebben somwijlen geheel dergelijke roode vlekjes, die hier toch wel geene oogen kunnen zijn.

Ook is er nog eene andere reden, welke de beteekenis van oogen, die men aan deze vlekjes gehecht heeft, onwaarschijnlijk maakt. Zij worden namelijk aangetroffen juist bij zulke infusiedie- ren, die op den laagsten trap van bewerktuiging staan, namelijk bij die welke zelfs geene opening of mond bezitten, waardoor zij voedsel kunnen opnemen. De meeste en grootere soorten zijn daar- van voorzien (Fig.5 dm, Bon, Cm), en de opneming van voedsel geschiedt dan ook bij hen op gelijke wijze als bij de overige dieren, namelijk door het naar binnen brengen van spijs, en niet gelijk bij de planten, die zich slechts door de uitwendige oppervlakte voeden. Inder- daad levert de voedering dezer kleine schepselen , waaronder sommigen buitengemeen vraatzuchtig zijn, een zeer aardig schouwspel op, vooral wanneer men een weinig waterverw, karmijn of indigo, in den droppel gebragt heeft, waarin zij zich bevinden. Terwijl zij ginds en her rondzwemmen, dan eens stilstaan, dan weder voortgaan, maar gesta- dig een sterken maalstroom in het water verwekken door de onophoudelijke snelle beweging der uiterst fijne trilhaartjes aan de oppervlakte van hun ligchaam, stroomen de fijne kleurdeeltjes door den geopenden mond naar binnen, die, bij sommigen vooraan, bij anderen ter zijde van het ligchaam geplaatst, en doorgaans om- zoomd is met iets grootere haartjes, welke mede gestadig in be- weging zijn, of wel (Fig. 6, B ) omzet met uiterst fijne naaldvormige tandjes, die eene soort van trechter daarstellen. Door den mond in het ligchaam gekomen, verzamelen zich de kleurdeeltjes tot kleine ronde ballen (Fig. 4 B, Fig. 5 B), terwijl de onverteerde stoffen weder door den mond of, getijk bij eenige soorten, door eene bijzondere opening (Fig. 5 B 6) worden naar buiten gebragt. Men heeft gemeend dat elk der genoemde spijsballetjes in even zoovele magen of blaas-

Hi) gn

vormige uitzettingen van een darmkanaal bevat zoude zijn, doch dit schijnt voor de meeste soorten op eene dwaling te berusten. Men kan zich althans bij sommigen met zekerheid overtuigen, dat die zoogenaamde magen niet bestaan, maar dat de spijsballen zich en- kel bevinden te midden der weeke massa, die de ligchaamsholte vult, want zij veranderen van plaats, ja in enkele gevallen (vooral duidelijk bij Zowodes Bursaria fig.5 A) hebben zij eenen geregel- den omloop, zoodat zij langs de eene zijde dalen, om langs de andere weder op te stijgen.

Het zijn niet enkel de grootere soorten, die zich aldus door het inwendig opnemen van spijs voeden; zelfs bij sommige zeer kleinen, b. v. die welke het eerst door ons vermeld zijn (bl. 2), gelukt het door kunstmatige voedering met fijn verdeelde kleur- stoffen deze binnen in de ligchaampjes te brengen, iets dat in fig. 1 bij a door de zwarte stipjes in een paar der voorwerpen is aangeduid; en vergelijkt men nu hetgeen hier plaats grijpt met de wijze waarop de voeding bij grootere, eenen duidelijken mond bezittende soorten geschiedt, dan komt men tot het besluit, dat ook deze diertjes, hoewel zoo klein, dat eenige honderdduizenden van hen te zamen genomen slechts de ruimte.van eenen kleinen speldeknop zouden innemen, toch nog van eene bijzondere mondopening voorzien zijn, zoo klein echter, dat zij aan onze tegenwoordige middelen tot waar- neming geheel ontsnapt.

Bij het groote meerendeel der infusiediertjes neemt men, behalve de genoemde spijsballen, nog met een helder vocht gevulde blaas- jes waar, of liever ruimten, want van een hen bekleedend vlies is geen spoor te onderscheiden (ziefig. 4 Ba, Da,fig.5 Ba,fig.6 Aa). Deze ruimten, doorgaans een, twee, zelden meer in getal, trekken zich van tijd tot tijd plotselijk zamen, zoodat zij voor een oogenblik spoor- loos verdwenen zijn, en komen dan weder op dezelfde plaats te voor- schijn, om zich vervolgens na eenigen tijd wederom zamen te trekken, enz. Gewoonlijk verloopen er tusschen elke dier zamentrekkingen en uitzettingen eenige seconden. De eigenlijke beteekenis dier zamen- trekbare ruimten is nog niet volkomen opgehelderd, en ook hieromtrent zijn de gevoelens verdeeld. Het waarschijnlijkst is wel, dat het or-

cen

ganen zijn, wier verrigting daarin bestaat, dat zij door hunne plot- selijke inkrimping en uitzetting beweging brengen in het vloeibare gedeelte der ligchaamsmassa. Zulk eene zamentrekbare ruimte zoude derhalve een hart kunnen genoemd worden in zijnen allereenvoudig- sten vorm. Eigenlijke vaten staan daarmede nimmer in verband, maar althans in één geval (bij Paramecium Aurelia) is de zamen-’ trekbare ruimte voorzien van straalsgewijs daarvan uitgaande aan- hangsels, die als het ware een eerste beginsel van vaatstelsel ver- kondigen. Niet onmogelijk is het echter, dat in sommige gevallen aan deze zamentrekbare ruimten nog eene andere verrigting, b. v. die der ademhaling moet worden toegekend. Bij eenige soorten namelijk (b. v. bij dctinophrys Sol, fig. 4 Fa) ligt deze zamentrek- bare ruimte onmiddelijk onder het vliesje dat de opperhuid vormt, en het vocht, waarmede het in den uitgezetten toestand gevuld is, is derhalve blootgesteld aan den invloed van de lucht in het om- ringende water. Overigens mag men veilig aannemen, dat bij allen de ademhaling ook door de geheele oppervlakte geschiedt, en door de gestadige beweging der fijne trilhaartjes, waarmede de meesten bezet zijn, krachtig bevorderd wordt.

Niets is’zoo verschillend als de beweging der verschillende soor- ten van infusiediertjes. Er zijn er, die schier onbewegelijk op de- zelfde plaats vertoeven, anderen die zoo vlug in hunne bewegingen zijn, dat het tot de moeijelijkste opgaven voor den mikroskopischen waarnemer behoort hen op hunne snelle vaart te volgen en in het gezigtsveld te houden. Veelal zijn het alleen de reeds meer genoemde trilhaartjes, welke die voortgaande beweging veroorzaken, doch er zijn er ook (fig. 6 Aen 4A'), die, behalve deze, nog van groo- tere stijvere haartjes voorzien zijn, welke zij op de wijze van poot- jes gebruiken, waarmede zij langs de oppervlakte der waterplantjes en andere zich in het vocht bevindende voorwerpen loopen. Sommigen hebben een zeer week en zoo beweegbaar ligchaam, dat het schier ieder oogenblik van vorm verandert. Bij anderen blijft die vorm meer gestadig dezelfde, hetzij uit hoofde van de algemeene onbuigzaam- heid hunner huid, (fg. 6 B), of omdat een gedeelte der oppervlakte metreen soort van schild bedekt is (fig. 6 4), terwijl eindelijk nog

EARN AA

anderen (fg.5 C) door een glashelder kokertje omgeven worden, waarin zij zich bij dreigend gevaar terug trekken.

Het opfnerkelijkst onder alle deze bewegingen is echter de za- mentrekking van den steel der Vorticellinen. Ook zijn er weinige mikroskopische voorwerpen, die, wanneer men ze voor de eerste maal waarneemt, meer verwondering wekken. In hunnen uitge- breiden toestand liggen de klokvormige ligchaampjes (Fig. 7) bijna onbewegelijk stil; alleen de haartjes aan den rand der mondopening zijn in eene onophoudelijke snelle beweging en doen eenen maal- stroom in het omringende vocht ontstaan, waardoor de kleine daarin zwevende deeltjes tot op eenen tamelijk verren afstand worden me- __degesleept, en maar den wijd gapenden mond gevoerd. De steel, en- __kelvoudig bij eenigen (het geslacht Vorticella), vertakt bij anderen (de geslachten Zpistylis en Carchesium), bestaat uit eenen rolronden draad, spiraalsgewijs omzoomd door eenen uiterst dunnen doorschij- nenden band, die soms ook het voorkomen heeft van een kanaal, tegen welks binnenwand de zoo even genoemde draad aan gelegen is. In dien toestand zoude men ligtelijk meenen een klein sierlijk gevormd plantje te zien, dat zich in het water uitbreidt. Doch naauwelijks ontstaat er eenige sterke beweging, hetzij veroorzaakt door eenen geringen stoot tegen het glaasje, waarop zich het voorwerp bevindt, of door de nabijheid van eenig grooter dier, dat tevens in den droppel aanwezig is, of plotselijk verandert het tooneel. Alle de ligchaampjes trekken zich te zamen, sluiten hunne mon- den, worden daarbij min of meer bolvormig, terwijl de steelen zich als kurkentrekkers digt op een rollen (Fig. 7 0). Herst wanneer het drei- gend gevaar geweken is, en het vocht om hen heen geheel tot kalmte is terug gekomen, ontrollen zich de steelen weder, de mondope- ningen ontsluiten zich en de diertjes hernemen hunne vroegere uitgebreide gedaante, terwijl de maalstroom op nieuw aanvangt.

Zeer gewigtig is de vraag: hoe ontstaan deze kleine wezens? Wanneer men ziet hoe zij te voorschijn komen in vochten, waarin vroeger geen spoor van levende wezens te zien was, hoe verbazend snel zij zich vermenigvuldigen, zoodat hun aantal binnen eenige weinige dagen vele millioenen bedraagt, dan kan ligtelijk de mee-

ik ee

ning ontstaan, dat zij hunnen oorsprong nemen uit de kleine deeltjes van in staat van ontbinding verkeerende organische stof- fen, die eenen bepaalden vorm aannemen en met leven bezield worden. Inderdaad is er niets, dat zulk eene oorspronkelijke vorming, zulk eene zich telkens herhalende schepping van be- werktuigde wezens uit niet bewerktuigde stof, onmogelijk maakt , mits deze slechts de scheikundige bestanddeelen kan leveren, waaruit alle organische wezens zijn opgebouwd. Deze noodzake- lijke voorwaarde nu is gegeven, zoodra in water de overblijfse- len van planten of dieren voorhanden zijn; deze, al is hun vorm geheel onkenbaar geworden, kunnen de stof leveren, waaruit andere planten en dieren kunnen ontstaan. Doch het is hier niet de vraag wat mogelijk, maar wat waar is, en dit kan alleen door onderzoek worden uitgemaakt. In de natuurkundige wetenschap- pen is een der wegen, om tot verklaring der verschijnselen te geraken, die waarop ons de overeenkomst met andere ge- lijksoortige verschijnselen tot leiddraad strekt. Van alle dieren en planten, wier voortplantingswijze grondig bekend is, is het geble- ken, dat zij hunnen oorsprong nemen uit andere dergelijke dieren en planten, met andere woorden: dat zij ouders hebben. Wel is waar, is er een tijd geweest, dat men meende dat zelfs op eenen hoogen trap van bewerktuiging staande wezens, b. v. ratten en muizen, door oorspronkelijke vorming ontstonden, ja ook nu nog verkeeren sommigen in den waan als of het zoogenaamd ongedierte, gelijk men zegt, van zelfs ontstaan zoude, door onreinheid, huid- ziekten enz., doch de natuurkundigen weten reeds sedert lang dat dit eene dwaling is Andere gevallen, waarin men tot voor korten tijd eene oorspronkelijke vorming meende te moeten aan- nemen, gelijk b. v. der ingewandswormen die binnen in de lig- chaamsholten van menschen en dieren voorkomen, zijn door de onderzoekingen der laatste jaren veel minder raadselachtig gewor- den dan vroeger, sedert men de gedaanteverwisselingen van vele dezer dieren heeft ontdekt. En zoo, om van vele andere voorbeel- den te zwijgen, wordt het, naarmate onze kennis zich uitbreidt, inderdaad meer en meer onwaarschijnlijk, dat er immer zulk een

ene pre

geheel oorspronkelijke vorming plaats grijpt, en komt men ook ten aanzien der infusiediertjes tot het besluit, dat de kiemen, waaruit zij zich ontwikkelen, vermoedelijk reeds voorhanden waren, hetzij in het water of in de daarin bevatte organische overblijfselen, of wel dat zij daarin door de lucht zijn aangebragt. Somtijds kan men dezen oorsprong duidelijk-aantoonen. Zoo b. v. leeft het diertje, waarvan in den aanvang dezes gesproken is, werkelijk in de ingewanden van den kikvorsch, en het kan dus niet verwonderen, wanneer wij het naderhand aantreffen in het water, waarin het doode dier een tijdlang vertoefd heeft. Oppervlakkig schijnt het moeijelijker te gelooven aan het bestaan van organische kiemen in geheel ver- droogde plantendeelen, gelijk hooi, peper enz., doch wij zouden talrijke gevallen kunnen aanvoeren ten bewijze dat vele diertjes volkomen verdroogen kunnen, zonder de vatbaarheid te verliezen van te herleven, zoodra zij in water komen. Dit verklaart tevens hoe ‘het mogelijk is, dat infusiediertjes ontstaan in waterige aftrek- sels die sterk gekookt zijn, en waarin men derhalve mag aannemen, dat alle organisch leven door de kookhitte vernietigd is, want hier kunnen de kiemen in verdroogden toestand nog door de lucht zijn over- gevoerd. Doch opzettelijk onderzoek heeft geleerd, dat wanneer men tot zulke vooraf gekookte aftreksels slechts lucht den toegang verschafte, die door sterke verhitting en strijking door zwavelzuur van alle daarin zwevende organische deeltjes beroofd was, er zich dan ook geene infusiediertjes vormden.

Ook zijn de wijzen, waarop de eenmaal aanwezige infusiediertjes zich vermenigvuldigen, zoo wel bekend, dat men althans daardoor volkomen rekenschap kan geven van de groote getalen, waarin zij somtijds voorkomen. De meest algemeene wijze van vermenigvuldiging is die door zelfdeeling (fig. 4 C), welke, zelfs bij eene en dezelfde soort, dan eens in de dwarse, dan weder in de overlangsche rigting plaats grijpt. Door deze zelfdeeling ontstaan derhalve twee individu’s, waar- aan zich na eenigen tijd hetzelfde verschijnsel herhaalt, en zoo vormen zich opvolgend uit een enkel voorwerp, 2, 4,8, 16, 32, 64, 128 enz. individu’s, en kan het dus niet verwonderen, dat binnen een betrekkelijk kort tijdsbestek hun aantal zoozeer kan toenemen.

BO te

Bene tweede wijze van voortplanting is die door knoppen (fig. 8 A bij 4), welke slechts bij weinige soorten voorkomt, inzonderheid bij de afdeeling der Vorticellinen en hier den lateren taksgewijzen zamenhang verklaart. Zij bestaat daarin, dat een klein gedeelte van het ligchaam naar buiten uitbot, meer en meer uitgroeit en zich allengs van het moederdier afscheidt. In de hoofdzaak komt dus deze knopvorming met de zelfdeeling overeen.

In den laatsten tijd is men, vooral door de onderzoekingen van COHN, JULES HAIME en STEIN nog op eene andere vermenigvuldi- gingswijze opmerkzaam geworden, namelijk die door zich binnen in de ligchaamsholte der diertjes (b. v. Lowodes Bursaria fig. 5 A) vormende kiemen, welke men eene inwendige knopvorming zoude kunnen noemen. Ware vruchtbare eijeren zijn het niet, want deze kun- nen alleen door zamenwerking van twee geslachten ontstaan, en daar- van is bij de infusiedieren tot hiertoe geen spoor gevonden. Deze kiemen vormen zich echter in de ligchaamsholte zelve, en banen zich later eenen weg door de bekleedselen, hetzij door eene opening die slechts tijdelijk ontstaat en zich later weder sluit, of door. de- zelfde opening, waardoor ook de onverteerde spijsdeelen weder ver- wijderd worden.

Bij de Vorticellinen gaat aan deze inwendige kiemvorming, nog een ander verschijnsel vooraf. Zij omgeven zich namelijk, hetzij na zich van hunnen steel te hebben afgescheiden, of daar- mede nog zamenhangende, met een hulsel, dat bij sommigen (fig. 8 BC) glad, bij anderen (fig. S F) van aanhangselen voorzien is, die nog eenen zeer verschillenden vorm kunnen hebben. Binnen in deze hulsels heeft dan de genoemde kiemvorming plaats, en het verdient hier bepaaldelijk opmerking, dat de diertjes in dezen toestand ge- heel verdroogen kunnen, zoodat zij gemakkelijk door de lucht kun- nen worden rondgevoerd, zonder het vermogen te verliezen, om, in water gekomen, hunne levensvatbare kiemen naar buiten te doen treden. Somtijds echter gebeurt het, dat zich in zulke hulsels niet de gewone kiemen vormen, maar daaruit geheel andere veel kleinere infusiediertjes (fig. S Z), omgeven van eene slijmige massa te voor- schijn treden, diertjes die in vorm geheel overeenkomen met andere

Eten: 0 NED

(van het geslacht Monas), die men vroeger als zelfstandige soorten heeft beschouwd. Dit brengt ons nog tet vermelding eener andere bijzonderheid in de levensgeschiedenis dezer kleine wezens, name- lijk hunne gedaanteverwisselingen. Het is mede eerst in den aller- laatsten tijd dat men daarop opmerkzaam is geworden, maar reeds zijn er enkele wel waargenomen voorbeelden bekend, waaruit blijkt, dat sommige dezer diertjes even merkwaardige gedaanteverwisselin- gen kunnen ondergaan als waaraan, gelijk ieder weet, de meeste insekten onderworpen zijn. De verandering van vorm kan hierbij zoo groot wezen, dat hetzelfde voorwerp in onderscheidene levens- tijdperken voor geheel verschillende soorten zoude gehouden wor- den en werkelijk gehouden is. Welligt mag men nog verder gaan en het als waarschijnlijk stellen, dat verscheidene als infusiedieren beschreven wezens slechts de kiemen zijn van andere dieren, die op eenen merkelijk hoogeren trap van ontwikkeling staan, gelijk Planariën, Polypen, sommige ingewandswormen enz. Is dit zoo, dan zal mogelijk de tijd eenmaal aanbreken, dat de afdeeling der infusiedieren als zelfstandige dierklasse wordt opgeheven en dan verdeeld onder die klassen, waartoe zij als ontwikkelingsvormen eigenlijk behooren.

Doch het zoude ons te ver voeren hieromtrent in bijzonderheden te treden. Mijn doel was alleen den lezer een’ vlugtigen blik te doen slaan in deze kleine dierenwereld, waarvan ik elders!) een overzigt in meer wetenschappelijken vorm, tevens met aanhaling der bronnen, gegeven heb.

Nog ten slotte de beantwoording eener enkele vraag, die mis- schien bij dezen of genen zal zijn opgekomen. Welke is de nut- tige bestemming dezer nietige wezentjes, welke plaats bekleeden zij in de groote huishouding der natuur? Niet altijd is het ant- woord op dergelijke vragen zoo gemakkelijk te geven als juist hier.

1) Het mikroskoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordige toestand, Ade Deel, ook afzonderlijk verkrijgbaar onder den titel van: Mikroskopische voorwerpen uit beide organische rijken. Beknopte handleiding voor praktische beoefenaars der mikros- kopische weefselleer van planten en dieren. 1854 bl. 200 en verv.

dek LE

Inderdaad is de rol, welke de infusiedieren vervullen, een hoogst gewigtige. Alle organische voorwerpen bestaan uit enkelvoudige, dat is voor geene verdere ontleding vatbare stoffen, waarvan de voornaamste, dat is die welke nimmer ontbreken, zijn: koolstof, zuurstof, stikstof, waterstof en zwavel. Dadelijk na den dood be- gint echter het verband tusschen deze stoffen verbroken te worden; de ontbinding vangt aan, die in verrotting overgaat, en daarbij ontstaan nieuwe verbindingen, die gasvormig zijn, koolstofzuur, koolwaterstof, ammoniak, zwavelwaterstof. Deze zijn alle in meer- dere of mindere mate schadelijk voor het dierlijk leven, en zoo ook voor den mensch. Doch eer nog de ontbinding tot dien uiter- sten trap gekomen is, eer nog de lucht verpest en voor inademing ongeschikt is geworden, is ook het verbeteringsmiddel doorgaans bij de hand. Talrijke vogels, insekten enz. voeden zich bij voor- keur met die doode voorwerpen, en hetzelfde doen de infusiedie- ren. Hun organisch leven stelt hen in staat tot weder vastlegging van die bestanddeelen, welke anders in gasvorm ontwijken zouden. Wel is de ligchaamsgrootte van elk hunner gering, doch hunne verbazend snelle ontwikkeling en vermenigvuldiging doen weldra hun aantal zoo zeer toenemen, dat zij gezamenlijk voorzeker een niet minder aanzienlijk vermogen bezitten om den dampkring voor verontreiniging te bewaren, dan vele merkelijk grootere doch in ge- ringer getal voorhanden dieren.

De infusiedieren zijn derhalve de vastleggers van organischen stof in organischen vorm; zij dienen mede tot handhaving van het evenwigt in de natuur. Maar zij zijn nog meer. Uit hoofde juist hunner kleinheid strekken zij tot voedsel van vele andere iets grootere dieren, insekten en hunne maskers, kleine schaaldieren, wormen, polypen enz.‚ die met hen in het water leven. Deze op hunne beurt worden de prooi van visschen, die zonder de tegen- woordigheid van gene niet zouden kunnen bestaan. De visschen einde- lijk strekken tot voedsel aan andere dieren en daaronder ook aan den mensch. En zoo ziet men hoe ook hier, even als overal elders in de natuur, de eene schakel in den anderen grijpt, en aldus een harmonisch geheel ontstaat. Ook de zoo nietige infusiedieren vor-

Á Har

15 SH

Eer

De Het Ze

PIG Ee Ln

ne een men zulk eenen schakel, die even onmisbaar is tot instandhou- ding van het algemeen verband, als eenige andere. Het is alleen onze beperktheid, waardoor wij meer gewigt hechten aan het groote dan aan het kleine in de natuur, maar volkomen waar zijn de heerlijke woorden van LAMARTINE:

“Tout est beau, tout est bon, tout est grand en ce monde, Aux regards de celui, qui fit Pimmensité, L'insecte vaut un monde, ils ont autant couté.

VERKLARING DER AFBEELDINGEN.

De verschillende witte velden door zwart omgeven stellen voor het gezigtsveld van een mikroskoop. Fig. l en 2 zijn bij eene 500 malige, de overige bij eene 300 malige vergrooting geteekend, met uitzondering van 4 in Fig. 7, waarvan de vergrooting slechts 150 maal bedraagt.

Fig. 1. Bodo intestinalis,a navoedering | Fig. 7, B. Vortieella nebulifera. met karmijn. HNE C. Dezelfde, na vorming van het Fig. 2. Vibrio lineola. | trilvlies bij f. 8. Euglena viridis. keke D. Dezelfde, in zamengetrokken 4, A. Euglena pyrum. toestand. B. Ozytricha Pellionella, a za- | _H. Dezelfde, na zich van den steel mentrekbare ruimte, B dezelf- te hebben afgescheiden. de van terzijde gezien. | 8, A. Vorticella microstoma, g „u CG. Oeytricha, die zich verdeelt. kmop. Deze en de volgende «u D. Trachelius trichophorus , a | afbeeldingen zijn naarSTEIN. zamentrekbare ruimte, 5snuit. | „_» B. Hetzelfde dier, na zich inge- „_n B. Amphileptus fasciola. | huld (geinkysteerd) te hebben , _F. Actinophrys Sol, a zamen- nog zamenhangend met den trekbare blaas. | steel. 5, A. Loxodes Bursaria, m mond. _„ GC. Hetzelfde, in verder ontwik- _„ Bx Bursaria vorax, m mond, kelden toestand, met zich ver- «a zamentrekbare ruimten, 4 ! deelenden bandvormigen kern. aars. _„ D. Hetzelfde, in geheel rijpen „u _C. Vaginieola eristallina, m toestand. mond, e glashelder kokertje. |” „/ ZE. Hetzelfde, waaruit de mona- 6, A. Fuplotes appendiculatus, A’ denachtige kiemen, in eene hetzelfde dier van ter zijde, slijmachtige stof gewikkeld, loopende over eenen Spirogyra- | naar buiten treden. draad. „nF. Podophya fira, mede een door «B. Chilodon Cucullulus ,m mond. inhulling van Vorticella mi- Td, A. Carchesium polypinum, naar crostoma ontstane vorm.

EHRENBERG.

DE PLANTEN VAN POMPEJI.

MEDEGEDEELD DOOR

Dr..D: LU BA GH,

Het ie algemeen bekend, dat de aan de golf van Napels gelegene stad Pompeji, en de naburige steden Herculanum en Stabiae, in het jaar 79 van onze tijdrekening, onder de regering van rrrus, bij eene hevige uitbarsting van den Vesuvius onder asch en lava bedolven zijn. Bekend ís het almede, dat bij die gelegenheid de geleerde c. PrLINtus secUNDUS het slagtoffer werd van zijne zucht, om die uitbarsting van zoo nabij mogelijk waar te nemen. Beuwen lang bleven de genoemde steden begraven onder den door de uit- werpselen des vulkaans gevormden bodem; men kon zelfs niet eens met volkomene zekerheid aanwijzen, waar zij eenmaal gelegen wa- ren. Eindelijk, in 1750, ontdekte men toevallig hare ligging, maar het duurde nog geruimen tijd, eer men van deze ontdekking door planmatige opgravingen behoorlijk partij trok. Thans echter liggen zij, voor een groot gedeelte vrij, vooral Pompeji; men aan- schouwt daar, nog frisch en ongeschonden, de huizen, de straten, de tempels, de schouwplaatsen van eene stad uit den bloeijendsten tijd van Rome; en de voorwerpen, in de woningen gevonden, de schilderijen, die nog hare wanden versieren, vergunnen ons een levendig en getrouw denkbeeld te vormen van de maatschappelijke en huisselijke toestanden van hen, die eens, door die voorwerpen omringd, leefden en werkten.

Ook voor den natuurkenner heeft die als uit het graf herrezene stad, die “stad des doods,” zooals Burwer haar noemt, eene eigen- aardige belangrijkheid. Fr is veel, wat hem daar een’ dieperen blik doet slaan in de kennis, welke de ouden hadden van de natuur

NT

An

en hare voortbrengselen, en in de wijze, waarop zij van die ken- nis gebruik wisten te maken. Maar bovendien wordt hij daar in staat gesteld om, althans in het algemeen, te kunnen beoordeelen, welke de natuurvoortbrengselen waren in dat gedeelte van Italie gedurende de eerste eeuw onzer tijdrekening, en in hoeverre het verloop van zoovele eeuwen daarin verandering heeft gebragt. Waren b. v. alle planten, die tegenwoordig in de omstreken van Pompeji groeien of aangekweekt worden, ten tijde van haren on- dergang reeds in Italie bekend? Over deze vraag vooral versprei- den de oudheden van Pompeji, in verband met hetgeen wij dienaan- gaande uit de schriften der Ouden besluiten mogen, veel licht. Den lezer, die in hare beantwoording eenig belang stelt, verzoek ik om met mij, onder het geleide van den Deenschen plantkundige 3. F. scHouw, te onderzoeken, welke van de thans in Italie alge- meen voorkomende en gebruikelijke planten aan de inwoners van Pompeji al dan niet bekend waren.

Twee hoofdbronnen zijn het, waaruit men de kennis putten kan der planten, die aan de inwoners van Pompeji, Herculanum en Sta- biae bekend waren. Deze zijn: de te Pompeji en in de beide andere vernielde steden gevondene schilderijen en andere voorstellin- gen van planten, en de aldaar gevondene overblijfselen van planten zelve. Met het eerstgenoemde hulpmiddel moet men echter voorzigtig zijn. Natuurlijk zijn vele voorstellingen van planten zoo weinig kennelijk, dat zij niet bepaald kunnen worden, even als dit in onzen tijd ook het geval zoude zijn. En wanneer de plant al duidelijk te onderkennen is, zoo is het dáárom nog niet uitge- maakt, dat zij bij Pompeji voorkwam; want dikwijls werd ook de plantengroei van vreemde landen afgebeeld. Zoo vindt men veel- malen de natuur aan de boorden van den Nijl voorgesteld: moe- rassige streken met den Lotus en de Egyptische boon (Melum- bium),t) het nijlpaard, den krokodil, de ichneumon, eenden, en

1) Zie over deze plant het opstel van den Hoogleeraar pe vriesE, getiteld: ““Wa-

terleliën” in het eerste deel van dit werk, bladz. 314. 3

Et

aan den oever den dadelpalm, b. v. in het voetstuk van het beroemde mosaïek, op hetwelk, naar men meent, ALEXANDER en DARIUS voorgesteld zijn. Dikwijls zijn ook die voorstellingen en- kel phantasie-beelden, b. v. een laurierboom, die uit een dadelpalm groeit, ja als uitlooper uit zijne wortelen voorkomt, eene phy- siologische onmogelijkheid. Dit doelt misschien, gelijk rrNore meent, op de zonderlinge gewoonte der Ouden, om de meest verschillende gewassen zoo digt bij elkander te planten, dat zij het aanzien ver- kregen als of zij slechts ééne plant uitmaakten.

Tot de boomen, die thans veel bijdragen om de Italiaan- sche landschappen hun eigenaardig karakter te geven, behooren de pijnboom en de cypres. Beiden waren bij de Ouden aanwezig; daar- van getuigen de schrijvers, en ook de afbeeldingen in Pompeji, want de pijnappel wordt meermalen afgebeeld gezien; te Hercu- lanum heeft men ook verkoolde pijnkernen gevonden. In de land- schappen, die de wanden der kamers van de Pompejanen versierden, vindt men den cypres zeer dikwijls voorgesteld, en somtijds in vereeniging met den pijnboom. Bene derde soort van naaldboom, die aan de landen rondom de Middellandsche zee eigen is, de Aleppi- sche den, vindt men ook te Pompeji afgebeeld.

Dit is mede het geval met den oleander, die thans de oevers der rivieren versiert, en met het Alimop, dat muren en boomstam- men bekleedt. Daarentegen zijn er twee gewassen, die heden ten dage eene beduidende rol in de Italiaansche landschappen spelen, maar die oudtijds niet in Italie groeiden. De zoogenaamde aloë, beter agave, die door hare groote, vleezige bladeren, en haren hoogen, kandelabervormigen bloemsteng, bij de landschapschilders zoo geliefd geworden is, en die men overal rondom de Middelland- sche zee, zoowel aangebouwd als verwilderd, aantreft, is men aan Amerika verschuldigd, en zij kon dus den Pompejanen niet be- kend zijn. De Jrdische vijg, uit de groep der cactusplanten, die in het oog loopt door haren bijzonderen vorm, hoofdzakelijk door hare platgedrukte bladvormige takken, eene plant, die thans in de landen aan de Middellandsche zee even algemeen is als de aloë, en even als deze verwilderd wordt aangetroffen, is ook uit Ame-

B (EEE

rika afkomstig. Men vindt dan ook te Pompeji even zoo weinig sporen eener afbeelding van dezen zoo eigendommelijken planten- vorm, als van de aloë.

Of er van ouds ook enkele dadelpalmen zonder rijpe vruchten in Italie werden aangetroffen, even als thans het geval is, is twij- felachtig. Wel vindt men deze boomen vaak afgebeeld; maar over het algemeen in verband met Egyptische onderwerpen, of in sym- bolische beteekenis. De dwergpalm daarentegen heeft toen ongetwij- feld dezelfde rol gespeeld, als thans, want ruroPnrastus verhaalt, dat zij op Sicilie zeer algemeen was; dit nu is nog het geval, terwijl zij aan de golf van Napels slechts spaarzaam wordt ge- vonden.

Wenden